"I'm
getting better and better"
Zaterdagavond
bij Annet en Martijn zitten 40+ mensen rondom
Michael de Jong. Geflankeerd door zijn drie
onafscheidelijke gitaren. Een
paar kaarsjes in elke hoek van de kamer en één
rode schemerlamp op de grond naast Michael geeft de
ambiance een hoog kampvuur-gehalte.
Het
is stil. Het enige dat je hoort is het zacht stemmen
van de gitaar en de loodzware adem van een zieke
man. Iedereen kijkt met volle aandacht. En luistert
vooral met volle aandacht. Naar wat deze 62-jarige te zingen en te zeggen heeft. En, geen wonder
bij Michael de Jong, dat is nogal wat. "Welcome
to this AA-meeting”, begint Michael.
Indrukwekkend
blijft het als hij uit eigen ervaring vertelt over
de dagen van ’67 en ’68 in Detroit,
studentenprotesten, rassenrellen, het roekeloze
optreden van de politie en de waarschuwingen
daarvoor van zijn vader, de consequentie dat hij
door de gebeurtenissen rond de rellen als blanke muzikant niet meer in de zwarte
bluescafé’s welkom was, de trots dat hij als
enige whiteguy het uiteindelijk toch zover schopte
dat hij in zwarte bands speelde, de democratische
conventie, de moord op Robert Kennedy, etc.
Of
zijn twee “dierbare” jaren in Amsterdam, waar
hij met een oude auto en een kat, en later geen van
beiden meer door Amsterdam zwierf. Op straat, op weg
tussen de toen weinige plekken om te spelen, het
scoren, narigheid en de politie.
Of
zijn nu naïef overkomende werkelijk lijkende geloof
dat hij en zijn generatie door liefde en muziek echt
iets konden veranderen. En de eveneens nu snel
begrepen onvermijdelijke bitterheid over de
teleurstelling en het niet bestaan van vriendschap
of andere vormen van ‘human kindness’, zoals
Michael in de kilheid van het nummer 'An unmarked
grave' zingt.
Is
het onderdeel van zijn show of is het echt, als hij
opeens zachtaardig uit de hoek komt: “Music’s
such a beautiful thing, don’t you think?”,
terwijl hij zoekend naar bevestiging door het publiek heen kijkt. Vanavond denk ik echt het
laatste.
-
Michael, you’re getting better and better.
-
No, I’m getting sicker and sicker.
-
Well, maybe that has got something to do with it.
-
Yeah, probably. Whenever the pills don’t work
anymore, music’s the only thing I got left.
Wat
voor verhalen er van de nukken van de man ook mogen
zijn, de man is panisch voor 'selling out'. Het
lijkt de enige trots die hij echt over heeft. En,
hij hééft daarin ook iets te verdedigen. Street credibility van een
man van 62? You bet.
Je
voelt de kou, als hij het publiek inschreeuwt dat
het leven op de straat keihard is (op zoek naar een
stukje “friendly floor” om op te slapen). En je
ogen kijken abrupt naar de grond als je hem hoort
zingzeggen dat de persoon in zijn liedje zich het
nog heel goed voor de geest kan halen toen hij een
poging deed om zijn leven te nemen.
Ja,
op zo’n moment hebben de mensen die zeggen dat ze Michael’s muziek maar depri vinden een beetje
gelijk. Maar wat vanavond overblijft is de indruk
dat die depri nummers ten spijt hier een man zit met
een heel eenvoudige ‘waarheid’ en
levensinstelling die uiteindelijk door zijn
geschreeuw en af en toe stoere praat heen simpelweg sympathiek
en zelfs zachtaardig overkomt. Het cliché ruwe
bolster blanke pit zeg maar.
Michael
sluit af met Parkbench Serenade. En op verzoek doet
hij een toegift Breathe (Padraig’s Song), tot
grote dankbaarheid van het publiek. En wrang
toepasselijk. Of juist.
Aan
het eind van de avond is Michael achterover in een
luie stoel gezegen, zijn adem naar lucht reikend. “Yeah it’s true Kees,
I’m getting better and better.”