|
Haarlem, 1984. Een stem schalt door de huiskamer. Laag, rauw en brommend. Vader en moeder zingen mee met ‘Tom Traubert's blues’ van Tom Waits. ‘Waltzing Mathilda, waltzing Mathilda.’ Maaike is zes jaar oud, samen met haar broer rent ze gillend de kamer uit. ‘Nee, niet alweer die verschrikkelijke Tom Waits!’
Maar de opvoeding werkt. Jaren later bekeren Maaike en haar broer al hun vrienden tot de man met de doorrookte whisky-stem, of ze het nu willen of niet.
Later komen de andere mannen om de hoek kijken. De woede van Nick Cave, het verdriet van Leonard Cohen, de romantiek van Neil Young, het verscheurde van Kurt Cobain. En dan is er ook nog zo’n gekwelde vrouw: P.J. Harvey.
Maaike verruilt haar saxofoon voor een gitaar en begint voorzichtig te zingen. Op de muziekavonden van school speelt ze haar eerste eigen liedje.
De studie brengt Maaike in Groningen, stad van Vera, punk en rock ’n roll. Ze woont in een zeventiende eeuws gasthuis. Plek van nonnen en monniken, en de arme mensen die er werden opgevangen. De verhalen zijn bijna tastbaar. Verhalen van mensen die worstelen, kruipen, die strijden om te overleven. Daar ontstaan de echte liedjes.
Haar eerste echte optreden is in De Buurvrouw, haar oude stamkroeg in Amsterdam. Maaike plaatst zich voor de halve finale van hun singer/songwriters wedstrijd: De Bronzen Buurvrouw. Ze is een beetje schor die avond. ‘Ik wist niet dat jij zo’n doorrookte whisky-stem had’, zegt een vriend achteraf. Overdreven natuurlijk, maar een groter compliment had hij haar niet kunnen geven.
|